INDEX

HOOFDSTUK 1 - Beginnen

HOOFDSTUK 2 - Bemesting
Wat bij wat?

HOOFDSTUK 3
Wat tegen
plagen en ziekten
in gewassen.


HOOFDSTUK 4
- Zaaien

HOOFDSTUK 5
De groentetuin van maand tot maand!

HOOFDSTUK 6
Groenten onder de loep

HOOFDSTUK 7
Een Engelse compostmethode.

HOOFDSTUK 8
Stekken en vermeerderen

TIPS
Tips van
lezers en adressen





.................................

DE GROENTENTUIN

Tuinieren zonder gif

HOOFDSTUK 8 - Bomen en heesters vermeerderen/stekken/afleggen/scheuren



Vermeerderen van bomen en heesters (en kleinere planten)

STEKKEN Algemeen:
Korte stengelstukken, liefst tijdens de groei en met een paar bladeren er aan.
Sommige stekken het best als ze groen zijn en sappig, anderen als ze half rijp zijn en weer anderen moeten volledig rijp zijn.
Sommigen het beste als zij tussen de knopen afgesneden zijn, anderen met een stukje hiel of onderhout.
Hoe jonger en vitaler de hele plant is, hoe waarschijnlijker het is dat de stek zal bewortelen.
Bloeiende stengels schieten minder snel wortels.
Het beste stekt men in bodemmateriaal (beter dan in water, steviger wortels) van twee staat tot één, in een mengsel van twee delen scherp zand tegen één deel fijne turfstrooisel (ge-zeefd), welke voortdurend
vochtig wordt gehouden.
Dus liefst in een pot met plastic eroverheen.
Bovenstaande geldt voor zacht stekmateriaal. Men moet wel de stek vrijhouden van het plastic d.m.v. ijzerdraad. Steek de stekken eerst in stekpoeder.

STEKKEN
Al naar de aard van het gewas kan men de jonge scheuten stekken;
a) In volle groei(spirea, clematis, Jap.azalea, hydrangeapeti olaris, delphium, gypsophila).
b) Wanneer de eindknop gesloten is,( b.v. Ilex, cotinus, picea).
c) Geheel uitgegroeide (b.v. Taxus, chamaecyparis, juniperus, mahonia, aucuba).
Vele heesters stekt men wanneer de groei is afgesloten. De eindknoppen zijn dan reeds gevormd.
Als zich nieuwe zijscheuten vormen is stekken niet mogelijk. Men moet dan tijdig stekken.
Picea, conica, stekt men op het moment dat het 2e schot begintte ontwikkelen.
Rhodo's stekken wanneer de eindknop goedzichtbaar is.
Juniperis en thuja kunnen zelfs nog in hetvoorjaar gestekt worden.
Op zand en kleigronden gaat stekken sneller dan op veen.
Matig gegroeide zijscheuten leveren de beste stekken. (beter dan grove of slecht gegroeide).
Vrij dunne stekken van rhododendron (binnen uit de plant gesne-den) zijn beter dan de dikke topscheuten. Nooit stekken van planten met luis of andere ziekten. Wanneer het toch moet; stek onderdompelen in nicotinewater. Daarna iets laten drogen.
Het snijden van stek gebeurd bij voorkeur s'morgens. Geen stekken snijden die nat zijn van dauw of regen (vooral vanrodoh's). Wel bevochtigen wanneer ze gesneden zijn.
Men knipt stek meestal met de snoeischaar. Slappe of dunne scheutjes snijdtmen met een mes.
Het gesneden stek bewaren tussen folie ofplastic tegen verwelken. Wel zo snel mogelijk verwerken.
De lengte van de stek wordt bepaald door de lengte van de leden. Is de lengte gering, b.v. als bij spirea arguta, dan maakt men het stek 5 a 7cm lang.
Is de afstand tussen de knopen groter, dan maakt men het stek 10 a 15 cm lang b.v. bij magnolia.

De wijze van stek maken.
Bij de meeste gewassen snijdt men met een scherp mes het stek zo af, dat de basis van de stekken juist onder een knoop komt te liggen.
De snede moet zo stomp mogelijk zijn.
Er mag geen puntsnede zijn (rotten).
De onderste bladen worden afgetrokken.
Bij picea-stek laat men de naalden aan de stekken zitten.
Bijandere coniferen trekt men of trekt men of snijdt men meestal weg omdat deze snel verwelkt en smucht. Men laat bij voorkeur de bladeren intact.
Er zijn echter uitzonderingen op deze regels van steksnijden.
Clematis en acer snijdt men niet onder een knoop af, maar boven een knoop. Men verkrijgt daardoor meer stekken.
Bij azalea mollis, azalea pontica, cotoneaster hor.talis en cotoneaster multiflora calocarpa is het beter de top niet uit te snijden (wortelen dan beter).
Rhododendron stekken met een bladknop wortelen beter dan die met een bloemknop.
De bloemknoppen worden ook wel weggenomen.
Een verwonding aan de basis van de stek bevordert de wortelvorming. Deze verwonding mag niet diep gemaakt worden, niet dieper dan de schors, anders treedt er rotting op (tegen rotting van de basis gebruikt men captanstuifpoeder gemengd met groeistof).
Het grondmengsel, waarin gestekt wordt is erg belangrijk voor de beworteling.
Enige eisen zijn;
1) het moet goed vochthoudend zijn.
2) moet voldoende lucht bevatten.
3) moet een goede PH hebben.
4) moet steriel zijn.
5) arm zijn aan voedingsstoffen.
Turfstrooisel voldoet grotendeels aan deze eisen, de PH is echter voor veel gewassen te laag. Deze kan beinvloed worden door er rivierzand door te mengen.
De samenstelling van het mengsel turfstrooisel en zand moet voor elke soort of variéteit verschillend
zijn.
Turfstrooisel kan men beter niet vers gebruiken i.v.m. zoutschade.
Beter is eerst een jaar buiten op te slaan. Alle ericateën stekt men in turfstrooisel. Zuiver zand wordt niet gebruikt.
Het mengsel moet matig vochtig zijn. Teveel vocht veroorzaakt rotting.
Voor rodo's en azaea's moet het wat vochtiger zijn dan voor coniferen.
Het stek mag niet te diep gestoken worden (ongeveer 2 a 3cm diepis voldoende). Dieper steken vertraagt de beworteling. In potten in de buurt van de rand stekken zetten.
Het makkelijkst stekt men in potten.
Clematisstek wat mest door de grond mengen.
Grondmengsel ongeveer 5cm dik maken.
Het plaatsen van stekken in kweekbakken gebeurt zodanig, dat de punten van de bladeren juist het glas raken. Voor sommige gewassen is het nodig deze dichter tegen het glas te plaatsen, daar de bladeren later een meer horizontale stand innemen b.v. bij rhododendron, of spoedig slap gaan hangen b.v. bij azaleaen Japanse azalea. Na het planten van stekken wordt gieten met fijne broes aangeraden. Hierbij mag het grondmengsel niet te nat worden. Daarna met glas afdekken. Dan kan er geen vocht meer ontsnappen.
Bij zonnig weer afdekken met linnen (z.g.kaasdoek).
Bakramen met zonwerend middel voorzien. Behalve in de herfst. Ook plastic over het glas werkt door afzetting van vocht zonwerend. Vooral de eerste dagen na het stekken is belangrijk dat de luchtvochtigheid hoog genoeg is. Wanneer er druppels aan het glas hangen is het voldoende.
Goed is de stekken te bestuiven met water. Ook regelmatig luchten.
Condenswater mag niet op de stekken lopen. Dit luchten is om de stekken te laten drogen, waardoor schimmels worden tegengegaan.
Aangetaste bladeren wegnemen.
Luchten 3x per week.
Coniferenen rhodo's om de paar weken luchten.

HOUTACHTIGE STEKKEN
Houtachtige stekken steekt men het best in de herfst voor 1/4 gedeelte in de grond. Ze stellen weinig eisen. Doe wel wat scherp zand door degrond. Het duurt ongeveer een jaar voor er voldoende wortels zijn om over
te planten.
Ook scheuren is een mogelijkheid om te vermeerderen.
Men kan zo'n te scheuren plantenpol in net zoveel delen maken als er groeipunten zijn met wortels er aan.
Het beste is het middelste (dus oudste gedeelte) weg te gooien.
Scheuren gebeurt om de drie a vier jaren van een vaste plant.
Anjers worden vaak vermeerderd door een unieke manier vanstekken.(piping). Een jonge stengel kan gemakkelijk uit zijn koker getrokken worden. Dit stuk van de stengel vormt gemakkelijk wortels in zand of perlite. Veel echte kruidachtige planten (anjers zijn eigenlijk bladhoudende halfheesters) zijn ook gemakkelijk te vermeerderen door stekken van sappige jonge scheuten, gesneden in het voorjaar.
Dahlia's en delphliniums worden vaak op deze wijze vermeerderd.

DE PEER
De peer wordt geënt op een onderstam van de kweepeer.
De perzik op amandel.
Japanse kersen en sierappels op zaailingen van de wilde kers of appel.
Veel cultivars van treurbomen op normale onderstammen van dezelfde soort.

ROZEN
Rozen moet men toppen om meer bloemen te laten zetten.

KRUIDACHTIGEN
Kruidachtigen worden vermeerderd door scheuren.
Scheuren doet men in het voorjaar of in de herfst. Wel direct in de grond zetten.
Stekken van kruidachtigen hebben na acht weken wortels.

HEESTERS
Heesters worden meestal vermeerderd door stekken.
De stekken worden gesneden als het nieuwe hout rijp is en instekpoeder gedoopt.

BUXUS HEGGEN EN CIPRESSEN.
De canadesche vlier (sambucus canadensis) is een winterhardestruik voor grote en zelfs wilde tuinen.

BOERENJASMIJN
Boerenjasmijn ruikt erg lekker (innocence)

Japanse Esdoorns
Japanse esdoorns zijn nooit gelijk aan elkaar en kunnen alle kleuren krijgen (acer japonicum).

BERBERUS
Berberus en mahonica zijn besdragende struiken.

Scheuren kunt u;
Daphne cneorum, pachysandra terminalis, cotoneaster soorten, sommige berberis en spireasoorten,
vinia minor, buxus sempevirens.

Afleggen kunt u;
Acer, aristolochia, callicarpa, clethra, cornus, corylopsis, corrylus, fotheryilla, hydrapgra, ledum,
rankende vormen vanhonocera, machnolia, tillia, ulmus, viburnum en wisteria.

WORTELSTEK;
Onder wortelstek verstaat men gedeelten van wortels die na te zijn uitgeplant, jonge scheuten vormen.
Men gebruikt bij voorkeur 1-jarige wortels, die niet te dun zijn.
De meeste wortels snijdt men in het voorjaar b.v. bij gele kroos, populus canecens, phlox paniculatahybryden. Meestal neemt men ze af van planten die in de herfst gerooid worden.
In het voorjaar snijdt men de wortels van b.v. ; rhus, elaeg-nus, hedysarum e.a.
Wanneer van deze planten de wortels in het najaar gesneden worden, gaan ze tijdens de winter rotten.
Bij aralia elata rooit men de planten in het voorjaar op en laat de wortels, die bij het rooien worden afgestoken, in degrond zitten. Deze staan dan later op en vormen nieuwe planten. Past men bij dit gewas de normale werkwijze toe, dan verrotten de meeste wortels.
De ogen bij wortelstek ontstaan in een krans aan de bovenzijde van de wortels b.v. bij phlox, hibiscus en populus canescens of komen verspreidt op de wortels voor bij de gele kroos enhedysarum.
Indien de wortels in het voorjaar worden gesneden, kuilt men ze tot het voorjaar in, of bewaart ze in kistjes in vorstvrije ruimten tot het voorjaar.
Men maakt de stekjes 5 tot 8cm. lang.
Bij gewassen, die aan de bovenzijde ogen vormen, moeten de stekken recht overeind in de grond geplant worden. De bovenkant moet vrijwel gelijk staan met het grondoppervlak.
Bij gewassen die over de wortel verspreid ogen vormen, zaait men de wortels veelal breedwerpig uit en bedekt ze slechts met een dun laagje grond.
Het uitplanten of zaaien kan in de open grond plaatshebben.
Phlox en hibiscus onder glas.
Het eerste jaar groeien de plantjes niet sterk.
Het tweedejaar groeien ze een stuk beter.
De volgende planten kunnen door wortelstek vermeerderd worden;
Aralia eleta, blauwe kroos, gele kroos, budleia alternifolia,campis, chaenoeles, hedysarum multyugum apicrilatum, hibiscus,populus canescens, phlox, rhustyphina.

OOGSTEK
De eerste manier is winterstek, daar men een oogstek maakt van gesloten hout.
Men gebruikt hiervoor goed gerijpte eenjarige twijgen.
In het voorjaar worden deze oogstekjes gemaakt.
Aan beide zijden van de goed ontwikkelde ogen knipt men op 1,5a 2 cm. de twijg door.
Tegenover het oog wordt meestal een verwonding aangebracht.
De oogstekjes komen in een bak met fijne grond bedekt. Zolang er vorst is, de bak met glas afdekken.
Zodra de scheutjes boven de grond komen, wordt gelucht. Zijn de scheutjes een handbreed gegroeid,
dan glas wegnemen en de bak afdekken met horren.
Men past deze wijze toe bij Vitis en Arestolochia.
De tweede manier van oogstek maken is zomerstek. B.v. bij camella en mahonia.
In juli of september-oktober, afhankelijk van de hardheid van de scheuten wordt deze oogstek gemaakt.
Men snijdt een stukje scheut van ongeveer 2 a 3cm. met één blad, waarin zich in de oksel een stevige knoop bevindt.
Tegenover het oog verwondt men het stekje. De stekjes worden zo diep in het grondmengesel gestoken,
dat het oog net zichtbaar is. Op deze manier droogt de stek niet uit. Het gedeelte dat in degrond is gestoken, bewortelt over de gehele lengte.
Deze oogstekjes worden in een kas onder glas of in een kweekbak met dubbel glas en bodemverwarming geplaatst op dezelfde wijze, als dit bij normale scheutstekken gebeurd.
Na de beworteling plant men de jonge plantjes in een rabat en dekt ze af met glas. Wanner een scheutje gevormd is, wordt het glas weggenomen en kunnen de stekjes op geringe afstand op het veld worden geplant.

WINTERSTEK
Winterstek wordt gesneden van twijgen die in winterrust zijn.
Men neemt gezonde en goed ontwikkelde twijgen. Geen dunne of zwakke twijgen.
November en december zijn voor het snijden de beste maanden.
Van bladhoudende gewassen die op veengrond gegroeid zijn, snijdt men het stek aan het eind van de winter (februari).
Het knippen tijdens vorst is nadelig voor de plant en voor de stekken.
Gewassen met dunne bast (forsythia b.v.) mogen niet in natte toestand worden verwerkt. De bast beschadigd snel en gaat dan rotten.
Welke stukken nemen we?
Het basisgedeelte over een lengte van 10 a 15 cm is te hard. Bovendien is dit gedeelte soms dicht met ogen bezet, die bij rozenstek, dat later geoculeerd wordt, moet worden weggesneden.
Het middengedeelte vertoont deze minder goede eigenschappen niet en is daarom beter geschikt.
Ook is het topgedeelte onbruikbaar, dit is te zacht.
Van de lange takken kan men meerdere stekken nemen.
Bij appelonderstammen (kwee, platanus en cotoneaster van veengrond) snijdt men bijvoorkeur de stektakken een overjarig gedeelte van de plant af.
Afscheuren is nog beter. Dus met hieltje.
De lengte van de stekken wordt bepaald door het doel van gebruik en door de grondsoort waarin men stekt. Winterstek van heesters en bessen maakt men, wanneer het op veengrond gestoken wordt 20cm lang.
Op zand 25cm diepte.
Bij op maat knippen van het stek juist onder of boven een knoop afknippen. Dat is om insterven tegen te gaan. Zijtwijgjes of takdoors worden zodanig weggesneden, dat de nodige ogen niet beschadigen.
Bij moeilijk te stekken soorten de toppen met entwas insmeren.
Na het maken van of na groeistofbehandeling worden de stekken in bossen (100 a 200) met etiketten voorzien. Hierna stekken enige dagen laten drogen, waarbij een kurkachtig weefsel op de wonden ontstaat.
Ze worden daartoe met de punten naar boven in een tochtvrije onverwarmde ruimte geplaatst.
Bij vorst afdekken.
Hierna inkuilen. Maak hiervoor kuilbedden met een goede waterafvoer (greppel).
De stekken moeten zo recht mogelijk staan.
Strooi scherp zand in de sleuven bij veengrond. Dat is voor draineren en tegen schimmels.
De punten van de stekken drukt men in het zand, zodat ze vast komen te staan.
Spit en druk er dan nog grond tegenaan. De stekken komen voor 1/3 in de grond.
Na de vorst opnieuw aandrukken.
Voordat de stekken echt wortels hebben worden ze op het veld gestoken in april.
Heesterstek in de grond waar oude mest in zit. Onderlingeafstand 19 x 15cm.
Sterk groeiende soorten ruimer.
Ligustrum na 1 jaar verplanten.
Bloemen bij b.v. weigelia verwijderen.
Bij enten wordt er afgedekt met entwas.
Enten wordt gedaan in maart, april en augustus.


Als laatste op deze pagina nog enige wetenswaardigheden;

Enten
Het enten is samenvoegen van de cambiumlagen van griffel en onderstam.
Door ze dicht aaneengesloten te houden tot ze samengroeien.

DE CAMBIUMLAAG
Alle groei van een verhoutende plant heeft plaats in de cambiumlaag. Een laag van slechts één cel dikte,
tussen het xyleem (het hout) en hetfloëem (de bast).

OPZUIGMETHODE
Bij winter en coniferenstek in een enkel geval ook bij zomerstek.
Coniferen gaan vaak rotten bij de poedermethode.
Direct na het stekken in een groeioplossing plaatsen. Ze mogen niet dieper da 2 a2,5 cm. in een groeioplossing worden geplaatst.
Laat de stekken ongeveer 24 uur in de oplossing staan.
Zachte stekken zoals b.v. spirea, plaatst men 15 uur in de oplossing.
Gedurende die tijd mogen de stekken slechts matig warm staan.
Het oplossen van de groeistof(pillen) moet in glas gedaan worden.
Metaal vreet weg door de zuren in deze stof. Bij voorkeur plastic of steen, of evt. emaille bakken gebruiken.

DE ONDERDOMPELINGSMETHODE
Wordt weinig toegepast. Alleen wel bij coniferen, taxus enchamaecyparis obtusa"nana grasilis" past men
deze methode wel toe.
De stekken worden gedurende 10 a 12 uur in een groeistofoplos-sing gedompeld.
Daarna dierect met water afgespoeld. De stekken kunnen daarna op normale wijze worden gestoken.

GROEISTOFFEN
Poedermethode bij;
Scheut of zomerstek.
De stek wordt dan over een lengte van 1,5a 2cm. door de poeder gedraaid.
Daarna afkloppen en in de grond steken.

*TIP !!!*
Als een boom niet wil bloeien
moet men de sapstroom belemmeren.
Hierdoor ontstaat een soort noodbloei om zijn soort instant te houden.
De boom voelt a.h.w. dat hij zal sterven hetgeen natuurlijk niet het geval is, en schiet in bloei.




naar boven